Cactusinfo.nl

...het begin van een nieuwe hobby

 
  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home - Reisverhalen - Namibië - Namibië deel 1

Namibië deel 1

Gebruikerswaardering: / 1
LaagsteHoogste 

Namibië deel 1

Bij aankomst in het luchthavengebouw van Windhoek wordt je al onmiddellijk geconfronteerd met de kleinschaligheid van dit mooie land , dat slechts 2 inwoners per vierkante kilometer telt. Het luchthavengebouwtje is daarop voorzien, er is dan ook slechts 1 check-in en 1 gate. Het is één van de weinige internationale luchthavens waar het nummer van de gate niet op je instapkaart wordt geprint: je vergissen is hier onmogelijk. Auteur : Frank Thys, Foto’s: Diane Thys-Brants


Je voucher voor de huurwagen brengt het eerste half uur niet veel op: “ alle auto’s zijn weg, menheer”. Wat je nu echt vooral niet moet doen is mij voor 8 uur ’s morgens kwaad maken, en …. het was 7.30u! Ik had slechts enkele minuten nodig om die drie achter de balie van het verhuurbureau duidelijk te maken waar het op stond, en klokslag 8 uur reden we de parking van de luchthaven af: niet met de bestelde Toyota Corolla, maar met dit blauwe “bakkie” .


Wat zeker niet kleinschalig is: de te rijden afstand tussen 2 stadjes bv., die loopt al snel in de honderden kilometer! Let vooral goed op je benzinemeter, voor je vertrekt vul je de tank beter tot aan de rand. Benzinestations zijn er niet zo talrijk, je moet je zeker leren aanpassen aan die omstandigheden!

In de weken voor ons vertrek hadden we nog een e-mail ontvangen van Ernst van Jaarsveld, de curator van de Botanische tuin van Kirstenbosch, een van de mooiste tuinen ter wereld. Hij schreef ons dat er in Windhoek een maand voordien een botanische tuin was opengesteld voor het publiek, en dat er wel een paar mooie en zeldzame planten te zien waren, waaronder de woestijnkool. Van de luchthaven naar Windhoek stad is het slechts een 35 kilometer, we waren dan ook snel op onze eerste bestemming en gingen daar eerst op zoek naar een slaapgelegenheid, met andere woorden: een guesthouse. Dit lukte vrij snel, zodat we in de voormiddag reeds goed en wel geïnstalleerd waren.

De volgende morgen gingen we direct op zoek naar de Botanische tuin, alleen bleek die niet zo heel gemakkelijk te vinden. De bewegwijzering bleek maar in één verkeersrichting te lezen en natuurlijk kwamen we juist van de andere kant! Na een paar keer vragen kwamen we dan toch eindelijk op het goede adres terecht. Zelfs wanneer je de parking opreed had je nog je twijfels of je wel op de goede plaats beland was. We wandelden eens rond het gebouw en vonden eindelijk de ingang van de tuin. Niet direct opvallend, een buitendeur in een burelencomplex die op een spleet stond. We waagden het er op en gingen binnen, aan een van de bureaus zat een meisje hard te werken. Ogenschijnlijk was ze verrast ons te zien: direct werd het gastenboek onder onze neus geduwd; hieruit bleek dat er nog niet zoveel bezoekers waren geweest. Onze naam en adres kwamen op de eerste bladzijde, op de zesde lijn. Niet echt druk dus, ook niet in de tuin zelf. Samen met het meisje én de sleutel van het toegangshekje stonden we een paar minuten later in de tuin zelf! Eindelijk, zou men zeggen, je zou denken dat die tuin voor ons was aangelegd, want we waren er moederziel alleen. We hadden alle tijd en ruimte, het nadeel was dan dat je ook aan niemand enige uitleg kon vragen. Je zag direct dat het een recent project was: tussen de verschillende planten nog een zee van plaats, het zal nog heel wat tijd en werk vragen om een meer natuurlijk en samenhangend geheel te krijgen. Een van de eerste planten die we zagen staan was de woestijnkool: Adenia pechuellii.


Een lichtgroen getinte bol, kogelrond, met vanaf de zijkanten en bovenzijde stevige, groene bebladerd stengels die kaarsrecht en over heel de bol verspreid stonden. De diameter van de “kool” bedroeg ongeveer 20 cm, het geheel zat voor ongeveer de helft in de grond. Zeker iets speciaals, zelf had ik deze plant nog nooit gezien en documentatie erover heb ik ook maar summier gevonden. We zetten ons bezoek verder en weer viel het ons op hoe “nieuw” de tuin was, planten voorzien van een wit naambordje en heel veel open plaats tussen de verschillende soorten. Het minpunt aan de naamplaatjes was dat deze erg opvielen in het beeld, het voordeel was dan weer dat er tenminste nog de naam bijstond. Er was ook een kweekgedeelte, stevig op slot, maar je kon wel over te poortjes heen kijken. De plaats zelf was niet al te groot, dus veel opgepotte planten waren er niet. Het bordje “vrijdag” op het schaduwnet, dat losjes over de planten lag, stemde ons tot nadenken. Als het elke week op die dag water geven betekende, gewoonweg zonder naar de beplanting te zien, of ze nood aan water hebben, dan zijn we natuurlijk wel verkeerd bezig!

Op de deuren van de kweekplaats hing een grote affiche met beelden van een project waar de Botanical Garden aan meewerkte: behoud en herstel van de natuur op de site van een zinkmijn. Vooraleer met de graafwerken begonnen zou worden, werden op die oppervlakte alle waardevolle planten voorzichtig verwijderd door personeel van de botanische tuin.


Deze planten werden terug uitgeplant op de gronden van de mijn, op plaatsen die in het verleden al afgegraven waren en terug gelijkgemaakt. In een later deel van dit verhaal komt deze mijn ( beter gezegd: de werknemers) terug in het daglicht, maar dat is voor later.

Onze volgende halte is het kuststadje Swakopmund, een 325 km van Windhoek. De weg loopt gedurende heel het traject door semi-woestijn, met in het beste geval een paar struiken langs de weg en lage begroeiing met onder meer wat Euphorbia’s. Feitelijk was er weinig afwisseling in de begroeiing. De woestijn op zichzelf was al een attractie op zich: stap eens uit de auto en kijk wat die zandhopen te bieden hebben, je zult altijd wel wat plantengroei vinden en enige levende wezens die daar rondscharrelen. Bij het verblijf in deze stad ( de tweede grootste na Windhoek ) ondervonden we aan den lijve op welke manier de planten hun vocht haalden uit de ochtendmist. Opstaan met de zon aan de hemel was er hier niet bij: elke morgen zonder uitzondering een grijze, grauwe lucht, en mist die zich homogeen over het land verspreidde. Alles wat je zag en voelde was een tikkeltje vochtig, je leefde hier als het ware in een lichtgrijs heelal, alles grijs, vochtig en mistig. Dat duurde zo tot een uur of 10, soms zelfs tot 12 uur. Daarna kwam de zon erdoor, alles droogde snel op, maar de plantjes hadden hun portie vocht gehad. Het was niet dat we pech hadden of we daar in het verkeerde seizoen zaten, welnee, dit fenomeen deed zich elke dag voor, op enkele korte periodes na. Met als gevolg dat je dicht tegen de kust meer planten aantrof en in een betere conditie dan verder in het binnenland.

Eén van de redenen waarom we dit stadje als verblijfplaats hadden gekozen, waren de verschillende bezienswaardigheden die gemakkelijk van daaruit te bereiken waren. Ook in eerste instantie voor het stadje zelf, daarover meer in de diareeks. Maar als je richting binnenland reed, voorbij de laatste gebouwen, was je direct in de Namib woestijn. Aan de dorpsrand nog wat struiken en bushes, een paar kilometer verder verdwijnt praktisch elke beplanting en zat je pas echt in de woestijn! In de stad kon je bij het bureau van het Ministerie van Toerisme een toelating kopen om een speciaal stuk van deze woestijn, een natuurgebied, te bezoeken. Ook een bezoek aan de oudste planten op aarde, de Welwitschias, mochten we zeker niet overslaan. Welke richting je uitmoest was gemakkelijk te vinden: je volgde de sporen van je voorgangers: dat was “de weg”. Aan de zijkant hier en daar een paar paaltjes om de track te markeren. Die leidt regelrecht naar het beschermde gebied waar deze planten groeien.



Van op enige afstand zie je de planten al staan: een aantal donkere vlekken in het woestijnzand.De planten zijn redelijk groot, soms de verhoute delen omhoog stekend tussen de 2 bladeren die de plant rijk is en die meters lang kunnen worden.



Deze soort kan een respectabele ouderdom bereiken: met de carbon methode werd door wetenschappers van de universiteit vastgesteld dat er daar planten staan van minimaal 1000 jaar oud. Sommige bronnen spreken zelfs van het dubbele, maar wat is het verschil voor ons, liefhebbers? Er zullen daar ter plaatse vroeger wel heel wat meer planten geweest zijn! In de verschillende kleine musea, restaurants, tourist office, reptielenhuis enz. zie je bijna overal de verhoute stronk van een Welwitschia staan, meestal met een foto van de levende plant erbij, soms zelfs met een extra woordje uitleg.



Ze zijn fier op de verharde stronken die ze etaleren. Zeer decoratief, maar je moet er wel de plaats voor hebben. Maar hoe zijn die stukken fossiel daar overal gekomen? Dit laten ons toe te besluiten dat er vroeger ter plaatse veel meer exemplaren stonden; zouden die “spontaan” overleden zijn, of heeft men hier een handje geholpen, in een periode dat er veel minder belangstelling was voor de natuur? Op deze vraag kon ( of wilde?) niemand ons antwoord geven. De planten worden ( zeer langzaam aan ) redelijk groot, sommige met een hoogte van anderhalve meter, andere plat tegen de woestijngrond gedrukt; de diameter voor de grootste planten zal zo rond de 3 meter schommelen. Eén ding hebben alle planten gemeen: ze hebben slechts 2 bladeren, weliswaar zeer massief van uitzicht, met breedtes gaande tot 40 cm en soms meer, meestal zijn ze ook langs een nerf gescheurd een ook de uiteinden van de bladeren zijn steeds beschadigd, na al die jaren zeker niet ongewoon. In Namibië en Zuid Afrika noemt men deze plant “tweeblaarkaniescheur” (-nie): de toevoeging –nie lijkt me niet onwaarschijnlijk vermits er in het Zuid Afrikaans een ontkenning steeds tweemaal in het woord of zin voorkomt.Als je daar op die plek in de redelijk hete woestijn staat, de planten vlak voor je neus, is het al een klein wonder dat die zolang het plaatselijke klimaat doorstaan hebben. Je kan concluderen dat deze plant een zeer lange stevige penwortel moet hebben om te weerstand te bieden aan de weersomstandigheden: soms veel wind, die lagen zand meevoert en zeer weinig of helemaal geen regenval. Het vocht moet dus zeer diep uit de ondergrond komen, of wordt door de planten opgenomen onder de vorm van mist. Chris Bornman spreekt in zijn boek over deze planten als “ Paradox van een verdord paradijs”. De eerste planten werden een 150 jaar geleden ontdekt door ….. Welwitsch, niet in Namibië, wel in Cabo Negro in Angola. Welwitschia nobilis wordt niet alleen in de Namib woestijn gevonden, het vindgebied is zelfs tamelijk groot en strekt zich uit tot in Angola, en dan niet alleen in de kustwoestijn, maar soms ook tot 50 tot 100 kilometer het binnenland in. Hoe dan ook, we waren zeer tevreden met ons bezoek aan deze “ouderlingen”, die soms vergeleken worden met een octopus, een tamelijk breed lijf met rondslingerende armen ( de 2 bladeren).

Hierover valt nog veel te vertellen, nog meer over deze zeer speciale planten en dieren in: Namibië, aflevering 2. Dit wordt echt BEESTIG !!

Deze aflevering 2 kan je verwachten begin februari 2010. Zeker komen kijken op deze site dus!

Tekst: Frank Thys, Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
Foto’s: Diane Thys-Brants

© Frank Thys

 

Om een reactie te plaatsen dient U zich eerst te registreren of in te loggen indien U reeds een gebruikersnaam/wachtwoord bezit!


Translate