Echinopsis mamillosa Gürke (MfK. 1907/135)
Synoniem:
var. orozasana Ritt. (Succ. 1965/25)
var. tamboensis Ritt. (Succ. 1965/25)
Echinopsis ritteri Boed. (M. DKG. 1932/143)
Echinopsis herbasii Card. (C. &S. J. 1956/111)
Echinopsis mamillosa -var. flexilis Rausch 510 n.p.
Echinopsis mamillosa -var. histrichoides (Ritt.) comb. nov.
Echinopsis histrichoides Ritt. 806 n.n.
Echinopsis mamillosa -var. kermesina (Krainz) Friedr. (K. u. a. S. 1971 /45)
Pseudolob. kermesina Krainz (Beitr. z. Sukde. 1942/62)
Echinopsis mamillosa is rond Tarija overal aan te treffen en groeit solitair, zelden wat spruitend en bereikt een doorsnede van 25cm, heeft vlakke wortels, rechte ribben aan de schedel staande bloemen.
De halfdroge vrucht bevat kogelige tot gestrekte zaden met een grote, haast rechte uitpuilende navel.
Rose-bloeiende soorten vindt men verder naar het noorden bij Orozas of Culpina (3.000 m), de doornen worden hier tot 10 cm lang, stoppelig en verward, daarom noemde Ritter deze planten Echinopsis histrichoides.
De Rio Bermejo scheidt de Argentijnse vormen van het type. In Bolivia verschijnen de doorns meest krachtig, maar in Santa Victoria (Argentinië) vinden we een fijne naaldvormige vormen die wij als Echinopsis kermesina (Krainz) Friedr. kennen, waarbij de kermesina-rode bloemen in de dalen ook wit kunnen zijn.
Nog verder in het zuiden bij Iruya, worden de middendoorns weer tot 10 cm lang, maar zeer dun en buigzaam, en werden beschreven als Echinopsis mamillosa var. flexilis.
Lit: W. Rausch, Lobivia 1975









