Lobivia aurea (Br. & R.) Backbg., Der Kaktfrd. 1934/85
Over deze zuiver Argentijnse vormen werd voor het eerst bericht door Britton en Rose. Zij vonden deze planten in de Sierra de Chica (Cordoba) en beschreven ze als Echinopsis aurea.
De plant is enkel, kogelig tot tonvormig, tot 12 cm. doorsnede, 11 tot 16 rechtlopende ribben, 8-16 randstekels en
4 middenstekels. De bloemen 7 tot 9 cm. lang, geel.
Vrucht kogelig tot ovaal, opdrogend, zaad kogelig met een recht rond en gatachtig verdiept hilum.
De verspreiding loopt van de Sierra Chica de Cordoba tot in de Sierra San Luis.
Synonymen:
var. grandiflora Backbg. (Kakt. ABC 1935/244)
var. elegans Backbg. (D. Kaktfrd. 1934/86)
Echinopsis aurea Br.&R., The Cactaceae 1922/74.
Lobivia cylindrica Backbg., Kaktus ABC 1935/415.
Pseudolobivia luteiflora Backbg., Kaktlex. 1966/373.
Hymenorebutia aurea Ritter, Kakteen 1980/467.
-var. catamarcensis (Ritt.) Rausch comb. nov.,
werd voor het eerst beschreven als Cereus huasca var. flaviflora in 1905 door Spegazinni; lichaam 20 cm. hoog en 8 cm. dik, bloemen 6 tot 9 cm.,vindplaats Catamarca.
Maar de naam was al voor een andere plant gebruikt dus werd de naam catamarcensis, door Ritter gebruikt, geldig.
De planten van Catamarca tot in de Sierra Velasco hebben kortere bloemen dan de andere variëteiten. Mogelijkerwijze is ook hier Backeberg's Lobivia cylindrica onder te brengen.
Ritter onderscheidt uit dezelfde regio nog een
var. depressicostata.
Deze kortcylindrische vormen tonen in diverse gebieden regionaal begrensde afwijkingen
zodat men enige variëteiten kan vaststellen.
-var. callochrysea (Ritt.) Rausch com. nov.,
wijkt af van de vorige door de 11 cm. lange gele bloem.
Zonder bloemen is ze makkelijk te verwisselen met
Echinopsis tubiflora, met welke ze samen groeit.
Vindplaats Quebrada de las Conchas in Salta, dit is de noordelijkst groeiende aurea.
-var. fallax (Oehme) Rausch.
Enkel of in kleine groepen tot 40 cm. hoog en 8 cm. dik.
Dit is de grootste uit deze groep met, over het algemeen
minder, maar krachtiger dorens.
De vindplaats beperkt zich tot de Sierra Malanzan.
Lob. fallax Oehme (Kaktde.1939/4)
Lob. aurea var. robustior Backbg. (Kakt. ABC.1935/244)
Lob. calochrysea Ritt. 985 n.n.
-var. albiflora Rausch, Succulenta 1979/162.
In uiterlijk gelijk aan var. catamarcensis, tot 20 cm. hoog en 6 cm. dik, wat spruitend, met een 7 cm. lange, witte bloem. Groeiplaats in het noorden van de Sierra de Cordoba.
-var. shaferi (Br.&R.) Rausch.
Deze variatie maakt grote hopen met stammen tot 25 cm. lang en 4 cm. dik, vaak ontwikkelt ze een 5 cm. lange middendoorn.
Groeiplaats rondom Andalgala op vlakke plaatsen.
Lob. shaferi Br&R. (The Cactaceae 1922/52)
Lob. cylindracea Backbg. (Descr. Cact.Nov. 1956/29)
Cereus huasca var. flaviflora Speg. (Cact. Plat. Tent. 1905/479)
- var. quinesensis Rausch, Kuas 1966/107.
In groei gelijk aan var. leucomalla, maar niet zo dicht bedoornd en vertoont tot 6 cm. lange dunne naaldachtige middendoorns.
Groeiplaats: San Luis, tussen Quines en San Martin.
- var. leucomalla (Wessn.) Rausch.
Kleiner dan de anderen, tot 12 cm. hoog, met witte borstels bedekt.
Deze plant werd door Wessner ontdekt in San Luis en dikwijls met Lobivia denspina verwisseld.
Lob. leucomalla Wessn. (Beitr. z. Sukkde 1938/1)
var. rubrispina Wessn. (Beitr. z. Sukkde 1938/3)
- var. sierragrandensis Rausch. Lobivia 85.
Enkel, kogelig tot 8 cm. groot, maar meestal kleiner,
fijn en dun bedoornd, de enkele middendoorns tot 25 mm. lang, dun en buigzaam.
Verbreiding in de Sierra de Cordoba.
- var. tortuosa Rausch Lobivia 85.
De zwarte tot 3 cm.lange bedoorning is stekend en warrig verbogen.
Deze afwijkende populatie groeit in Santiago del Estrero,
nabij Ojo de Agua.
- var dobeana (Dölz) Rausch 1975.
Enkel, kogelig, weinig spruitend met een harde, meest bonte bedoorning en 6-8 cm. lange rode bloemen.
Groeiplaats: Sierra Ancasti.
Syn: Lobivia dobeana Dölz, Beitr.z.Sukkde. 1939/1.
Cereus huasca var. rubriflorus Speg., Cact. Plat. Tent., 1905/479.
Lit: W. Rausch. Lobivia 1975









