De geslachtsnaam is een anagram van Bolivia, het land waar het geslacht het grootste verspreidingsgebied heeft.
Diagnose van het geslacht: Relatief kleine, overdag bloeiende, planten met korte kleurige bloemen.
De afstamming:
Een gedeelte is ontstaan uit Trichocereus, een ander deel uit Echinopsis. Zowel Trichocereus als Echinopsis worden door de groeiomstandigheden omgevormd tot bolvormige soorten met korte bloemen.
Het door Backeberg opgestelde, later ongeldig verklaarde geslacht Pseudolobivia. omvat planten die een overgangsgroep zijn tussen Echinopsis en Lobivia. Er zijn soorten onder, waarvan de bloemen in vorm en kleur op die van Echinopsissen gelijken, terwijl de planten dezelfde gekerfde en verschoven ribben vertonen als de Lobivia's. Weer andere soorten zijn dagbloeiers en hebben bloemen met een korte bloembuis, maar komen in lichaamsvorm overeen met Echinopsis.
Het verspreidingsgebied: Zuid Amerika, met name Peru, Bolivia en Argentinië.
De groeiomstandigheden:
Lobivia's stammen uit het hooggebergte; als bergbewoners zijn ze gewend aan een sterke zoninstraling, de luchttemperatuur blijft daarbij laag.
Daarnaast zijn de standplaatsen vaak vochtiger dan in de vlakke gebieden door de stijgingsregens en de nachtelijke afkoeling met dauwvorming. Bijvoorbeeld in Cochabamba. een bekende standplaats is de gemiddelde temperatuur 17°C.
Regen: 462 mm per jaar, die valt daar in de maanden november tot maart, de rest van het jaar ligt de neerslag onder de 20 mm per maand.
De verzorging:
Nadat de planten de winter droog en licht maar koel hebben doorgebracht kan men in februari beginnen met verpotten.
Als substraat is de gewone, in de handel zijnde cactusaarde geschikt. Voor de vlakwortelaars kan men een flink deel van deze eenheidsaarde gebruiken als bijmixing. De planten met penwortels moet men een meer mineraal substraat geven. In ieder geval moet men zorgen voor een goede doorlaatbaarheid, om staande nattigheid, ook bij sterkere watergiften, te vermijden. Het voor het te verpotten, te gebruiken substraat moet absoluut droog zijn, zodat zo vroeg in het jaar nog geen nieuwe wortels gevormd kunnen worden en de iets later beginnende knopvorming niet wezenlijk gestoord wordt.
De eerste zonnige dagen kunnen een probleem geven. De temperatuur loopt dan snel op tot boven de 20ºC; na de lange rusttijd zijn de planten soms flink ineen geschrompeld. Door de hoge temperatuur en de sterke zonneschijn kan het in deze fase zeer snel tot beschadiging van de opperhuid en het daaronder liggende weefsel komen, temeer daar met het oog op de knopvorming, water geven nog niet raadzaam is.
Een mogelijkheid om verbranding te voorkomen is het aanbrengen van een scherming.
Omdat bergbewoners juist een grote lichtintensiteit nodig hebben. kan men dit gevaar ook bestrijden door de planten al in maart naar de zomerstandplaats in de buitenlucht te brengen, vooralsnog beschermd tegen de regen.
In de meeste gevallen zal dit een platte bak zijn waarvan de ramen verwijderd kunnen worden. Daar is de zoninstraling sterker, vooral als het niet door glas gefilterd wordt, hetgeen door de lage temperatuur zonder beschadiging wordt verdragen.
De nog in deze tijd voorkomende nachtvorsten kunnen de droogstaande Lobivia's niet deren.
Zomers hebbende planten voordeel van de lagere maximumtemperaturen en de nachtelijke dauwvorming, waardoor de bedoorning sterker wordt.
Wanneer de knoppen duidelijk tevoorschijn komen kan men voorzichtig beginnen met nevelen.
Hebben ze nieuwe haarwortels gevormd hetgeen aan het doorgroeien van de knoppen te herkennen is kan men met het normale water geven beginnen.
Tussen half mei en half oktober kunnen de ramen van de bak verwijderd worden, alleen bij langdurige perioden van regen vergezeld van lage temperaturen is het raadzaam deze er toch weer op te leggen.
De bloeitijd van de Lobivia's strekt zich uit van mei tot eind augustus.
De bloemen openen zich in de buitenlucht en bij een goede bewatering, twee tot drie aaneenvolgende dagen.
Vanaf oktober krijgen de planten geen water meer. Ze blijven echter nog tot de eerste sterkere nachtvorsten, nu weer tegen de regen beschermd, buiten. Pas dan gaan ze weer naar hun winterstandplaats.
Samenvattend zijn de behoeften van Lobivia's:
*grote temperatuurverschillen tussen dag en nacht resp. zomer en winter
*sterke zonbestraling, maar geen hoge temperatuur (het beste onder de 35 graden C.)
*rijkelijke bewatering en een goede bemesting in de groeitijd.









