Lobivia jajoiana Bkg.
Synoniem :
Lobivia jajoiana var. carminata Wessn.
Lobivia jajoiana var. splendens Wessn.
Hymenolobivia buiningiana Buin.
Lobivia jajoiana var. fleisscheriana Bkg.
Lobivia jajoiana var. elegans Rausch.
Lobivia jajoiana var. paucicostata Rausch.
Synoniem :
Lobivia jajoiana var. glauca Rausch
Hymenolobivia miniatinigra Ritt.
Lobivia jajoiana var. aurata Rausch.
Lobivia jajoiana var. fleisscheriana Bkg.
Synoniem :
Lobivia jajoiana nigrostoma Buin.
Lobivia jajoiana gregeri Kreuz.
Lobivia jajoiana var. vatteri Krainz.
-var. robusta Krainz.
Lobivia jajoiana var. nidularis Rausch.
Lobivia jajoiana var. pungens Rausch.
Lobivia jajoiana var. caspalasensis Rausch.
De verandering van boven genoemde vormenkruizen toont zich in de bloemen, de bruine of rode keel kleurt nu ook het hymen en de bovenste meeldraden tot zwart-violet en de zaden zijn glanzend.
Het zijn vormen die Backeberg als Lobivia jajoiana beschreven heeft.
Het areaal van deze frisgroene planten strekt zich uit over de oostflank van het hoge bergketen van de vulkaan Chani (Vulcan), Cerro Mudana (Caspala) Sierra de Ziente, Sierra de Santa Victoria (Iruya ) tot bij Santa Victoria (Trigohuaico).
Het meestal vlakkogelige type beeldt niet alleen de bekende hakige middenstekel, maar ook hardstekende vormen en de bloemkleur toont zich in alle roodtinten.
In de hogere regionen, ten westen van Maimara, Tilcara en ook bij Puente Corral wordt de epidermis donkergrijsgroen en de doorns fijner, voelsprietachtiger, zodat men een var.fleisscheriana Back. onderscheiden kan.
De bergflanken van Maimara-Tilcara is een plaats, die door Vatter voor zijn L.vatteri, aangegeven is, hier vinden wij wit tot zwart doornige, voelsprietachtige tot stekende doorns en weinig tot veelribbige planten met bloemkleuren van roze, geel, oranje tot rood.
Hij kon een keer over de 200 ex. waarnemen, maar er was geen witte bij, zoals in de beschrijving was aangegeven.
De zuidelijkste locatie met een standplaatsvaste afwijking vinden wij bij Purmamarca in de vorm van L. paucicostata Rausch, ze heeft 7-9 ribben en een helgroengrijze epidermis.
Op de vindplaats van L. glauca Rausch (Estancia Grande) overlopen de vormen
L. glauca en var. paucicostata elkaar, zodat deze alleen als mengvorm te erkennen is.
Hiermee beelden deze drie vormenkruizen jajoiana, marsoneri en chrysantha met enige standplaatseigen veranderingen een groot areaal, waarvan de leidraad L. chrysantha Werd. is.
Lit: W. Rausch Lobivia 1985.









