Lobivia chrysochete Fedde Rep., 1936, 271-272
Lobivia chrysochete werd in 1936 beschreven door Werdemann.
De groeiplaatsen zijn Argentina/ Bolivia, Jujuy, Tarija, Chuquisaca, Santa Victoria, Abra de Sama, Iscayachi (Backbg: Jujuy 2800m) ( Lau: Santa Victoria Pass 2800- 3000m);
Het type groeit op de oostelijke afdaling van Cajas naar Santa Victoria.
De planten groeien solitair, vlakkogelig en hebben vlakke wortels en bereiken in de hogere gebieden 4000 meter een doorsnede van 25 cm.
Ribben tot 25; rand en middendoorns moeilijk te scheiden ca. 30, tot 10 cm. lang, dun en buigzaam, geel tot bruin.
Vrucht 1-2cm, zaden zwart, glanzend. Bloemen 5 cm. lang, oranje tot rood, meeldraden onder oranje.
In de Abra da Sama vinden we Lobivia hystrix Ritter, die door Rausch tot synoniem is verklaard.
Rausch beschreef nog een –var. chunchillensis van Chunchulli maar trok dit later terug.
Bekende veldnummers zijn WR 638, WR 173; FR 978; LAU 551en 552; MN 133 en 144.
Tegenwoordige verzamelaars zijn Rainer Mecklenburg (RM) Johan de Vries (VZ) en Ralf Hillman (RH).
Lobivia chrysochete var. markusii WR215 Rausch 1975.
Meer ribben, meer, meestal gele doorns en iets grotere bloemen, oranje tot donkerrood.
Groeiplaats Volcan.
Lobivia chrysochete var. minutiflora WR512 Rausch 1977.
Vlakkogelig tot 40 cm doorsnede, tot 40 ribben, doorns geel tot rood, de rode bloemen verschijnen ver zijdelings en zijn kleiner.
Groeiplaats tussen Iruya en Santa Victoria.
Lobivia chrysochete var. subtilis WR691 Rausch 1980.
Kleinere planten met 25 ribben en tot 4 cm lange oranje bloemen. Groeiplaats Santa Ana.
De planten die we uit het zaad van Leo v/d Hoeven hebben zijn naar mijn mening deze variatie en niet minutiflora.
Lobivia chrysochete var. tenuispina Ritter.
Vlakkogelige planten, tot 16 cm doorsnee en 30 ribben. Bloemen 6 cm lang en breed, geel tot oranje.
Groeiplaats Bolivia, Tarija, San Antonio (Lau: Iscayachi; KK: Escayachi, San Antonio 3000m, en Villazon 2800m): WR 497; FR 80a; LAU 927; KK 1544,1685.
De laatste jaren zijn in de Sierra Mandinga planten gevonden die eerst werden gedetermineerd als Lobivia cinnabarina var. gigantea, maar nu vormen van Lobivia chrysochete var. munitiflora blijken te zijn.
Zij hebben dezelfde glanzend zwarte zaden als Lobivia chrysochete .
Veldnummers: RH2409a, RM 325, VZ256.
Dit zijn tot nu toe de meest noordelijkste vormen.
Hiermee kan men dit smalle en lange, van noord naar zuid verlopende Lobivia type erkennen met enige standplaatsvaste variaties erkennen.
Lit: Rausch, Lobivia 1975/1985.









